Nadat ik de vorige nacht de schrik van een droom waarin een ijsbeer mijn hoofd afbeet had gecombineerd met de opluchting van het wakker worden in een bed zonder enge beesten, werd mijn vriendin vanochtend wakker naast een zeeleeuw die in een punaise was gaan zitten. Dat geluid maakte ik althans, volgens haar. Ik kan het me niet herinneren. Misschien droomde ik in een droom die ik me niet meer herinner dat ik een Brachiosaurus was die op een blokje Lego trapte. Veranderen in een dinosaurus is een bekend neveneffect van vaccinaties en het is nu bijna drie weken na mijn eerste prik. Ik moest denken aan wat de ijsbeer van verleden nacht me, in zijn aanvankelijk gemoedelijke bui, toevertrouwde. Vanachter een boek had hij mij, leesbril op het puntje van zijn neus, licht geamuseerd aangekeken. “Wat doorsijpelt in de nacht wil men bij daglicht vaak niet onder ogen zien,” had hij gezegd. En ik had hem bij die zelfvoldane opmerking ‘beeindruckt’ in de ogen gestaard. Dieren in dromen zijn als superhelden die daden paren aan erudiete woorden. Omdat een ijsbeer die een haring eet ook maar gewoon een ijsbeer is. Omdat een klap met een hamer van de dondergod ook maar gewoon een klap met een hamer is als die niet gaat gepaard met een mooie volzin die Mjonir-waardig de verbeelding prikkelt. De lezer, en dat wordt bij stripboeken nogal eens over het hoofd gezien, hecht aan literaire verheffing. Pak de verhalen die Roy Thomas voor The Mighty Thor schreef er maar eens op na. Emfatische teksten waar de tekeningen vaak maar plichtmatig bij afsteken.
“In volbloederige zinnenpracht iedere keer maar weer verhalen wat iedere keer eigenlijk op hetzelfde neerkomt,” daar had de beer zijn betoog vervolgd. Het was een beetje alsof hij mijn gedachten kon lezen. Iets wat ook wel eens gebeurd als je een boek leest en het is alsof een schrijver jouw gedachten voor jou heeft geformuleerd. “Goden en godmensen die in monumentale momenten van zelfverwezenlijking iedere keer weer boven zichzelf moeten uitrijzen om de wereld en de mortale mens van een zeker noodlot te redden kunnen dat niet zonder de kracht van de taal. Die taal moet meer dan een beetje inventief zijn wil ze epische daadkracht en heldendom niet overleveren aan de gaapverwekkende saaiheid van de herhaling. In een verhaal waarin je iets bij herhaling wilt vertellen mag de herhaling nooit alleen maar de herhaling zijn. Beethoven en Wagner wisten dat, konden dat. Een motief laat terugkomen, hetzelfde motief maar dan anders. John Coltrane ook. Luister naar de amerikaanse minimal music en hoor waar het misgaat. Een melodietje, een themaatje, en dat was het. Step-and-Repeat. Ga maar bier halen want hier is verder niets meer te horen. De verwachting naar de volgende noot volledig opgeofferd aan de vorm.”
De beer tufte een graat uit en nam een slokje soda dat je hier op de Noordpool niet in een koelkast hoeft te bewaren om het op temperatuur te houden. “Herhalen is een kunst op zich,” herhaalde het berenbeest nog maar eens. “En jezelf vrijwaren van de noodzaak jezelf niet te herhalen een privilege. Jezelf vrijwaren van veranderen kun je eigenlijk alleen maar doen als je Slayer, Motörhead of AC/DC bent. In dat verband is het wellicht aardig om Slayer eens met Metallica te vergelijken. Pak hun eerste platen er maar bij.” De beer ging rechtzitten, liet een boertje, en schoof een kussentje in zijn rug. “Als je moet kiezen tussen de eerste plaat van Slayer of ‘Kill ‘Em All’ van Metallica kies je natuurlijk voor ‘Show No Mercy’. Slayer all the way. Waar Metallica op ‘Kill ‘Em All’ nog klinkt als een beta-versie van Motörhead stopt Slayer in ‘Show No Mercy’ al alles wat Slayer tot Slayer maakt. Bovenmenselijke snelheden op gitaar en drums die samen met de schreeuw van Tom Arraya samensmelten tot transcendentale trash. Had Metallica na ‘Kill ‘Em All’ nog 10 keer dezelfde plaat gemaakt dan was dat leuk geweest voor die mensen die de band nu verwijten uitverkoop te hebben gehouden maar ook niet meer dan dat. Punt is dat Metallica na ‘Kill ‘Em All’ moest veranderen omdat ze nog niet waren waar ze moesten zijn. En kijk eens wat er dan gebeurt. Waar ‘Haunting The Chapel’ nog klinkt als een dundrukje van ‘Show No Mercy’ maakt Metallica op hun tweede plaat ‘Ride The Lightning’ de sprong naar hyperspace. Trash op superhumane snelheden met mooie akkoordenprogressies, melodie en Metal Mayhem in een Epic-as-Fuck kind of way. Probleem is wel, zoals de rest van hun discografie aantoont, dat je zo’n sprong maar 1 keer in je carrière kunt maken. Op het moment dat Metallica bij ‘Master of Puppets’ is aangekomen, wat misschien wel een beetje een overschatte plaat is, zijn ze weer ingehaald door het immer op gelijke voet doorhakkende Slayer dat met ‘Reign In Blood’ de top van de Trashmetal-Everest bereikt. Je zou kunnen zeggen dat Slayer 1 plaat nodig had om zichzelf uit te vinden waar Metallica er 2 voor nodig had. In tijden waarin alles efficiënt moet zijn is dat iets om over na te denken.”
Dat was het moment dat de beer zijn blik verlegde en mij met witgele tanden toegrijnsde. Noch op het gelul van de beer (respect lezer, als je het tot hier hebt volgehouden) als mijn aanwezigheid rustte enige zegen want op het moment daarna beet hij het hoofd van mijn lijf waarna mijn slokdarm zich stuiptrekkend door mijn openstaande nek een weg naar buiten baande. Dat was gisteren en ik herinner me het als de dag van vandaag. Maar vandaag is een andere dag. Een dag met een zeeleeuw en een Brachiosaurus. Dieren waarvan ik me niets herinner.
Einde.



