Het hotel stond vlakbij zee. Ik at er, samen met mijn vader, een gekookt eitje voor ontbijt. Wij, vader en zoon, geen meesters van de kleinpraat, spraken over hard- en zachtgekookte eieren omdat niks zeggen ook zo zonde van de gelegenheid was. Ik had mijzelf even tevoren op een lucide moment betrapt. Ik wist dat ik droomde en wist dat de droom een plek was waar je mensen kunt tegenkomen die je alleen in de binnenwereld van je gedachten kunt tegenkomen. Ik verbaasde me over het gebrek aan verbazing daarover. De afstand overbruggen tot waar je iemand in de tijd achter hebt moeten laten was hier de gewoonste zaak van de wereld. Alsof de deur naar de vierde dimensie, de tijd, hier altijd openstond. We praatten nog even verder. Over het weer. We keken naar buiten, naar de zee waar zich donkere wolken aan de horizon verzamelden.
“Wat vind je eigenlijk van de zee?” vroeg ik
“Laat de zee maar de zee, ik blijf liever aan land.”
Mijn vader klonk een beetje als Godfried Bomans toen hij dat zei. Hij draaide zich om en maakte aanstalte te gaan.
“Tot de volgende keer,” zei hij
“Tot de volgende keer,” zei ik
Toen begon het te regenen want het weer, in een droom of niet, kijkt niet op een cliché meer of minder.

