Bring Me The Head Of Elon Musk

In the serpentine backstreets of a city that doesn’t need to be mentioned by name, where the gaslights flickered dimly as though hesitant to illuminate what lurked in the shadows, there stood a shop without a name. Its facade, weathered and indistinct, seemed almost to shift in the corner of one’s eye. Only the most peculiar souls ever ventured through its door, and Romeo Outdrew counted himself among them.

An avid collector of everything special and rare, Romeo had amassed a private museum of grotesqueries: preserved chimera-like animals, cursed antiques, and a preserved mummy hand said to twitch under the full moon. Yet still, his craving for something unique had not been sated. So, one damp winter evening, he wandered into the nameless shop in search of something truly singular.

Inside, the air was heavy with the mingled scents of age and rot. Shelves strained beneath the weight of objects that defied explanation: masks with too many eyeholes, clocks that ticked backward, and a gilded cage housing a bird whose feathers seemed woven from cobweb. Behind the counter stood the shopkeeper, a thin and sallow man whose pale eyes gleamed like distant stars. He regarded Romeo with a slow, almost reluctant nod.

“What is it you seek?” the shopkeeper rasped, his voice dry and brittle as dead leaves.

Romeo hesitated, then spoke, his words falling like stones into a dark well. “Something unusual… something authentic.”

The shopkeeper’s expression darkened, the gleam in his eyes dimming. “That is a most vague request,” he said quietly. For a moment, it seemed he might leave it at that, but then he added, almost grudgingly, “We do pride ourselves on meeting our customers’ desires.”

“Do you have something?” Romeo asked.

The man’s lips twitched, though whether in a smile or a grimace, it was impossible to say. “Not… presently. … Return tomorrow.”

The shopkeeper turned away then, signaling that the conversation was over. Romeo left the shop, a bit uneasy but intrigued. As he walked back to his lodgings, he wondered what the man would have in store for him.

The next evening, Romeo returned. The shop seemed darker than before, the objects within somehow more distorted. The shopkeeper awaited him at the counter, a wooden box resting before him. His expression was as unreadable as ever.

“It is done,” the man intoned, pushing the box forward.

Romeo’s pulse quickened as he approached. He lifted the lid with trembling hands. What he saw within filled him with revulsion. The severed head of a man stared up at him, its expression frozen in a rictus of terror. The skin was still warm, the blood still glistening.

Romeo staggered back. “Where… how did you…?”

The shopkeeper tilted his head, his eyes gleaming with malevolent glee. “We go to great lengths to ensure our customers’ satisfaction,” he said, his tone unnervingly polite. “This piece was acquired locally, mere hours ago.”

The horror of what that meant gnawed at Romeo’s mind. He felt the weight of unseen eyes pressing upon him, the walls of the shop seeming to close in. “I can’t take this,” he stammered, his voice trembling.

As Romeo examined the head, a flickering glow drew his attention to the corner of the shop, where a television screen he had not noticed before displayed the nightly news. On the screen, a well-known celebrity beamed at the camera, his face unmistakably recognisable.

Romeo turned back to the head in the box, and the gnawing unease that had crept up his spine slowly gave way to a resilient sense of solace.

The television flickered, and for the briefest moment, the celebrity’s face twisted into an expression of abject horror before returning to its polished smile.

The shop’s door swung shut behind him as Romeo left, and somewhere across the city, a celebrity paused mid-sentence, a sudden chill gripping him as the television flickered once more before going dark.

Above the door, the faded lettering of the shop’s sign glimmered faintly: “We always deliver.”

 

 

Op 18 mei

Op 18 mei 1883 werd Walter Gropius geboren. Op 18 mei 1911, op Gropius’ 28e verjaardag, stierf de man met wiens vrouw hij een affaire had. Gustav Mahler wist van de affaire van zijn Alma met Gropius en zijn ontzetting daarover krabbelde hij neer in de kantlijn van de partituur van zijn 10e symfonie. Almschi! Für dich zu leben! Für dich zu sterben. Geschreven met de dood voor ogen en een vrouw die hem ontrouw was. De geest van de componist/dirigent was er een die in de laatste fase van zijn leven in een oververhitte staat verkeerde. Op zijn sterfbed had Mahler gevraagd een pot met mieren naast het bed te zetten. Het gekrioel van de kleine beestjes moest zijn geest afleiden van de doodsstrijd die zijn lichaam aan het voeren was.

Met de oprichting van Bauhaus wilde Walter Gropius de architectuur uit het domein van de kunst wegtrekken opdat deze zich zou focussen op functionele en toegankelijke ontwerpen. Je zou hem de geestelijke vader van de IKEA kunnen noemen.

Er komen meer draden van het lot samen op 18 mei. Op die dag in 1980 hing Ian Curtis zichzelf op. Vlak voordat Joy Division voor een tour naar Amerika zou vertrekken en vlak voordat de band haar tweede album zou uitbrengen. De laatste film die Curtis (je hoeft niet te wachten tot de dood die ons scheidt, dat doet de liefde al) keek was Werner Herzog’s Stroszek. Een film die op een haar van twee dagen na op 18 mei in premiere ging (op 20 mei 1977). Het leven voelt blijkbaar zwaar op 18 mei want op die dag in 2017 werd Chris Cornell dood aangetroffen op een hotelkamer in Baltimore. Hij had net een optreden met zijn band Soundgarden achter de rug (hun beste plaat “Badmotorfinger” voorziet op dit moment mijn trommelvliezen van een stevige doch heilzame massage).

Het was op het speciale verzoek van Gustav Mahler dat men hem, nadat men de dood zou hebben vastgesteld, met een pen in het hart zou steken om te voorkomen dat men hem levend zou begraven. Levend worden begraven, een oerangst, vooral in de tijd van voor de intensive cares, is een onderwerp dat centraal staat in menig horrorverhaal en in ieder geval in één songcyclus. “Lebendig Begraben” is een liederencyclus die de Zwitserse componist Othmar Schoeck schreef op basis van 14 gedichten van Gottfried Keller. De cyclus verbeeldt de gedachten van een man die abusievelijk levend wordt begraven nadat hij in coma is geraakt en dood is verklaard. En Dieter Fischer Dieskau, de legendarische Duitse Lieder Singer die vandaag in 2012 overleed, levert hier een van zijn indrukwekkendste vertolkingen af (klik linkje).

Kijken naar Vermeer, kijken met Vermeer

Ze hadden toen al bakstenen, denk ik, als ik naar “Het straatje” en “Gezicht op Delft” kijk. Het zijn schilderijen van 400 jaar oud die zo de 21e eeuw in komen. Alsof ze, door vast te leggen van wat toen nu was, de toekomst in kijken.

Voor het eerst zijn allemaal bij elkaar, de 26 schilderijen die er van Vermeer bekend zijn, aan hem worden toegeschreven, maar van die 26 zijn er maar een paar die Vermeer postuum aan zijn wereldfaam zouden helpen. Mochten de schilderijen met bijbelse taferelen de enigen zijn die zouden zijn overgeleverd, degenen uit het vroege deel van Vermeers carrière , dat deel van zijn oeuvre dat zich zo goed voor vervalsing zou lenen (Han van Meegeren!), dan was Johannes Vermeer, een evengroot schilder als enigma uit een eeuw van goud waarin het niettemin stevig kon knetteren (rampjaar 1672, het beleg van Naarden, slavenhandel ook, verwarrende tijden voor het nationaal geheugen), tot een zeker vergeteldom zijn veroordeeld.

Het zijn zijn alledaagse taferelen (Melkmeisje, Kantwerkster, Brieflezende vrouw in blauw) die de toeschouwer betoveren en hypnotiseren. Ook nu nog. Of misschien wel: vooral nu. Zie die vrouw op “Het glas wijn” een slok uit dat wijnglas nemen. Vastgelegd terwijl het glas net haar gezicht bedekt. Ze staat er niet perse voordelig op. Het is een tafereel, zorgvuldig geconstrueerd, dat eenmaal tot volmaaktheid geschilderd, een zekere achteloosheid uitstraalt.

Interessant hoe die man vier eeuwen geleden naar de wereld keek. Wat bracht hem ertoe zulke gesofisticeerde middelen (rijke contrasten tussen zonlicht en schaduw, tussen huid en stof, grove streken versus verfijnd pointillisme, met fotografisch effect) in te zetten voor een tafereel zo alledaags? Er zit een terloopsheid in die doet denken aan die foto’s die je tegenwoordig, vaak net op het verkeerde moment, met je telefoon maakt. Dat die man toen, een tijd waarin alles tijd kostte, op eenzelfde wijze naar de wereld kon kijken als wij dat vandaag, epoque van instant-voldoening en wegwerpcultuur, dat doen.

Later, eenmaal buiten, op weg naar de metro, zeg ik tegen mijn vriendin in een poging tot contemplatie van wat we net hebben gezien:

– Als je nadenkt over hoe de mens door de eeuwen heen naar zichzelf en de wereld heeft gekeken, dan kun je je niet anders dan afvragen hoe de kunstmatige intelligentie over pakweg 10 jaar naar de mens zal kijken.

– Vind ik net iets voor jou, zo’n opmerking. Met dat serieuze gezicht erbij ook.

Tijdloos.

Blokkendoos in de lente

Ik had mijn wereld tot een blokkendoos gemaakt waarvan ik iedere rechthoek kende en waarin heden en de toekomst bijna perfect waren samengevallen. Starend naar de screensaver van mijn PC waren gedachten samengekomen die daar al die tijd op mij wachten – geduldig en zonder intentie mij van de noodzaak te doordringen dat tijd beperkt is voor hen die sterfelijk zijn. Vanachter de sluier van het eeuwig herhalende, voortkabbelende heden – niet zozeer het hoogst haalbare maar toch het best wensbare in dit ondermaanse – toonde zich het inzicht dat mij weinig meer restte dan het enige te doen wat voor de hand lag. Een moment van openbaring. De hamster in het brein lazerde van zijn tredmolen af, tot daden overgaan was onherroepelijk geworden. Hoe meer de werkelijkheid zich als een onweerstaanbaar log monument opdrong dat alle verbeelding uit mijn hersens dreigde te persen, hoe meer het excuus voor langere stilstand oploste in het zuur van een nieuw vooruitzicht. De poldergeest gaf me een trap na. Ik kon de voetafdruk van het fantoom in mijn achterste nog voelen toen ik de trap afliep en de voordeur opendeed. Buiten was het lente.
(Wallace Polsom / Daylight Is Too Easy, paper collage, 2022)

Ontwaken

Ik droomde
dat ik droomde
en dacht
wat grappig dat ik droom
En ik droomde
dat ik droomde
Ik droomde nog een keer
Ik droomde dat ik wakker werd
Helaas

dat was de droom niet meer

Oorlog en weelde

Ik geloof niet in God maar dat wil niet zeggen dat-ie niet bestaat. Er zijn mensen die zich op die titel mogen beroepen zonder daarmee een schertsfiguur te slaan. Dave King van The Bad Plus is zo iemand. Die mag in zijn eentje, met enkel een snaredrum voor zijn neus, een avond vol slaan en ik ben voor die avond een devoot luisteraar, nederig bewoner van een hiernumaals waar de eeuwigheid in schuilgaat. King is God. Iemand anders die de lucht op majestueus goddelijke wijze kan laten trillen is Matthias Goerne. Een bariton die is gezegend met een expressie zoals er weinigen bezitten, zo’n man die een menukaart nog kan voordragen zodat je er kippenvel van krijgt. Fijn als zo iemand gewoon op een kwartiertje fietsen van je voordeur een recital geeft in God-modus.

Van de liederen van Richard Wagner, Richard Strauss en Hans Pfitzner waren die van de laatste een echte ontdekking voor me. Donkere, declamatorische zanglijnen die lagen op fantasierijke, bij tijd en wijle polytonale pianopartijen. Toen Goerne bij Wagners ‘Im Treibhaus’ aankwam (het ‘Tristan’ lied uit de Wesendonck Lieder), was de muziek een ruimte geworden waarin men eindeloos kon dwalen. Melancholische droefheid & verlangen superieur gevangen in een stem. Het deed de Mensch goed 🖤.

Voor wie wilde liet hij zich even wegdrukken, die ellendige oorlog – er klonk geen Oekraïens volkslied, er was geen minuut stilte. Men hoefte zich niet te schaven aan de bramen van het wereldnieuws. Na twee jaar Coronamaatregelen kon het massaal toegestroomde publiek eindelijk weer eens ouderwets ongecompliceerd naar een concert. De oren blootstellen aan de weelde van muziek in de buitencategorie. Geconcentreerde aandacht, gemütlichkeit en toch ook een zekere uitgelatenheid vonden elkaar in de grote zaal van het Muziekgebouw ’t IJ. Twee stoelen verderop zat een man die een boer liet zodat mijn vriendin wist wat hij had gegeten voor het avondeten. Gelukkig had ze een mondkapje bij.

Concert: Matthias Goerne, Muziekgebouw aan ’t IJ, 7 maart 2022

Struinen door Venetië

Er zit iets van een levensles in het struinen door het Venetiaanse labyrint. Dat het niet erg is om te verdwalen bijvoorbeeld. Door te verdwalen leer je de stad het beste kennen.

Waar de paleizen, gebouwd op water dat er in het licht van de Venetiaanse winter uitziet als vloeibaar glas, als iets wat uit de Pixar-studio’s komt, met hun verfijnde lijnen de elementen lijken uit te dagen is het lopen langs de kades als lopen langs natuur die zich opstelt als grote gedoger. Zij gunt de mens de illussie winnaar te zijn, maar je ziet meteen dat dat niet voor altijd zal zijn (alles van waarde is uiteindelijk echt weerloos). In het eeuwig kwetsbare ligt het definitieve van Venetië – iets wat alleen door een sterfelijk wezen kan worden begrepen. Ondanks de massa spreekt de stad je op een hoogst individuele manier toe. Je stapt hier een enscenering van je eigen leven binnen. In het licht van een helblauwe hemel, je probeert het te vangen in een foto maar helemaal lukt dat nooit, stap je in je eigen zelfportret, of in ieder geval in een beeld waar je jezelf graag in terugziet.

Hier valt de vorm samen met de inhoud want een uiterlijk, zo rijk en fascinerend moet rusten op iets van substantie. In Venetië, waar poppenhuis en godenburcht één zijn, is de volgende steeg, de gang naar de volgende straatbar als het ideale dweilrondje. Het verlicht het gemoed om dat vervolgens, met weer een carnaval (sorry: vastenavond) die hoogstwaarschijnlijk de mist in gaat, met een zekere somberte achteloos aan haar lot over te laten.

De tijdloze tijd

Sam Szafran (1934-2019), L’escalier, 1992.

Terwijl mijn vader een biertje met me drinkt, mijn tante vraagt of ik nog naar een leuke opera ben geweest en mijn neef die al bijna een kwart eeuw dood is een plaatje van Charlie Mingus opzet, ben ik weer 25 – het leven niet kennende, klaar om mezelf van alles wijs te maken. Toen John Keats doodging, op zijn 25e, dacht hij dat hij als dichter was mislukt. De roemrijke vruchten van zijn schrijven plukte hij niet. Wat is de waarde van iets als het niet gedeeld kan worden bij leven? Als alles wat rest je vermogen is over de grenzen van de tijd heen te denken – voorbij jezelf.

Soms valt hij weg. De vierde dimensie. Dan schuiven de panelen van de tijd ineen en stap ik een kamer binnen waar ze zitten: de mensen die zijn achtergebleven in de tijd. Dan vertel ik Jeroen over de teen van Casillas die voorkwam dat Nederland wereldkampioen voetbal werd. Dan vertel ik Martijn dat hij naar Franz Liszt moet luisteren en de laatste film van Christopher Nolan kan overslaan. Dan verwonder ik me, namens mijn vader over dingen die hem ongetwijfeld hadden bekoord (dat weet ik als zoon, zijn DNA zit in mij) maar die hij zelf niet meer meemaakt. Dan laat ik hem Tannhäuser horen want Lohengrin vond hij ook mooi. Een mens leeft verder, ook en misschien wel vooral, als hij er zelf niet meer bij is.

Ik staar in onmogelijkheid mijn eigen blinde vlek vol in het gelaat en droom dat ik Schopenhauer begrijp. De blinde vlek, ingebakken in ieder mens, die de geest erop uit stuurt. Naar de buitenstaander die ziet wat jij niet ziet, naar god. De puzzel waar jezelf onderdeel vanuit maakt, maakt zich niet bekend aan haar afzonderlijke stukjes. Naast het dwalen in oneindigheid rest dit puzzelstukje weinig meer dan een koekje bij de thee en een strijkkwartet op de trommelvliezen (deze is heel mooi 👇)

Beethoven Quartet in A minor Op. 132 “Heiliger Dankgesang” – Alban Berg Quartet

 

Lichtpuntjes in een immer veranderende wereld (en andere zaken van gewicht)

Dromen dat je wakker wordt. Het gebeurt me, naar het lijkt, de laatste tijd steeds vaker. Ik droomde vanochtend weer eens dat ik wakker werd. Naast mij lag een vrouw van ergens in de 60 (ruwe schatting) op een ANWB-fietskaart te kijken. Toen ik iemand de deur van de slaapkamer hoorde opendoen besloot ik mij slapende te houden – je weet maar nooit welke vreemde kostgangers er nog meer op de vroege klep waren komen vallen. Door mijn oogharen zag ik een man, kaal hoofd, grijze slapen en een witte snor, met onder zijn arm een fietstas, de kamer binnenkomen. Ineens wist ik het. Mijn vriendin had terwijl ik sliep van het huis een Bed & Breakfast gemaakt. Meta ging de droom vervolgens toen de twijfel over mijn eigen aanwezigheid daarin (droom ik nu wel of niet?) overging in een stolling van tijd en beeld die van de kamer een tableau vivant maakte, alsof Tika met haar handen had geklapt (de kijkbuisklever die er de leeftijd voor heeft weet meteen: Tita Tovenaar!). Mijn blik verlegde zich met licht openstaande mond naar het openstaande raam waarin wolken waren te zien. Er dreigde een opdracht, de menselijke neiging overal gezichten in te willen zien noopte tot extra inspanning. Er viel wat regen, mijn hersens waaide nat. ”Regel jij het ontbijt even voor die mensen,” zei een van de wolken waarin het gezicht van mijn vriendin zichtbaar was geworden. In de lucht met daarin vele wolken kwamen de gedachten die vaak niet verder komen dan de allervaagste projectie op de binnenkant van de schedel tot leven. Het echtpaar keek nu verbaasd om zich heen, alsof ze zojuist door een ruimteschip de kamer waren binnengestraald. “Wilt u uw eieren hard- of zachtgekookt?” vroeg ik met enige consideratie voor het feit dat het niet perse makkelijk moest zijn te figureren in een droom van een vreemde. Want een vreemde was ik, ik voor hen en zij voor mij. Ik heb ze niet meer gezien nadat met het wakker worden, het echte wakker worden, we gaan er maar even vanuit, de droom was ontdaan van zijn polyinterpretabele laag en ik met een soort van tevreden verbazing het begin van een nieuwe dag inkeek. De fietskaarten van de ANWB gaan nooit verloren. Dat was, in tijden van Google Maps, in ieder geval een puntje van houvast voor hen die in een immer veranderde wereld lichtpuntjes hoopten te vinden in zaken die hetzelfde bleven.

Verwondering

Met mijn Covid-haar in een staart stond ik fier op de pedalen. De berm was dichtbij. “Denk je niet dat je teveel gedronken hebt?” De vraag stellen was na 2 bier, 1 fles wijn en 2 whiskey het antwoord weten. Zij wilde weten hoe het nu was, ik was nog aan het bijkomen van de wereld van de afgelopen eeuw.

Ik dacht aan een massagraf in 1944, op Plein 13 (in Bergen op Zoom) waar gesneuvelde Canadese soldaten in lagen. Mijn vader had daar als jongen van 16 bij staan kijken. Ruim 20 jaar na de bevrijding werd ik geboren, daar herinner ik me niet zoveel meer van. De verbazing over de wereld die ervoor lag, zo onvoorstelbaar anders, en toch zo dichtbij, kruipt met het klimmen der jaren steeds dieper bij me binnen. De verwondering erover, een dankbaar iets, weerhoudt me ervan de dingen voor lief te nemen. Mijn opa was van 1888, de tijd van Jack the Ripper, hij had het eerste vliegtuig kunnen zien, in 1904; hij had de eerste mens op de maan zien landen, in 1969. Zoiets zonder verwondering aanschouwen is een zonde. Zonder verwondering is alles zinloos. De neiging van de mens buiten de kaders van het eigen leven, buiten zijn eigen tijd, de zin te zoeken voor zijn bestaan was niet aan me voorbijgegaan. Het bestond, zonder verdere verplichting, het maakte van klein nood groot drama. Het gras van de berm kuste koude gedachten wakker. In drama zocht ik schoonheid, in het normale het verhevene, in het aangename speurde ik naar iets zinvols. Ik wilde iets zeggen terwijl ik eigenlijk niks te zeggen had – de kwaal van onze tijd, ik nam het in volle omarming. Alsof het nooit anders was geweest.