Ik had mijn wereld tot een blokkendoos gemaakt waarvan ik iedere rechthoek kende en waarin heden en de toekomst bijna perfect waren samengevallen. Starend naar de screensaver van mijn PC waren gedachten samengekomen die daar al die tijd op mij wachten – geduldig en zonder intentie mij van de noodzaak te doordringen dat tijd beperkt is voor hen die sterfelijk zijn. Vanachter de sluier van het eeuwig herhalende, voortkabbelende heden – niet zozeer het hoogst haalbare maar toch het best wensbare in dit ondermaanse – toonde zich het inzicht dat mij weinig meer restte dan het enige te doen wat voor de hand lag. Een moment van openbaring. De hamster in het brein lazerde van zijn tredmolen af, tot daden overgaan was onherroepelijk geworden. Hoe meer de werkelijkheid zich als een onweerstaanbaar log monument opdrong dat alle verbeelding uit mijn hersens dreigde te persen, hoe meer het excuus voor langere stilstand oploste in het zuur van een nieuw vooruitzicht. De poldergeest gaf me een trap na. Ik kon de voetafdruk van het fantoom in mijn achterste nog voelen toen ik de trap afliep en de voordeur opendeed. Buiten was het lente.

