“Er zit iets op je wang, iets wits”. Ze had haar hand zachtjes op mijn arm gelegd. Op het kruispunt vlak achter het viaduct, daar waar de Middenweg in de Hartveldseweg overgaat, noopte het rode stoplicht ons tot wachten, de vroege ochtendzon daarmee de kans gevend huid en haar met warmte te omarmen. “Ik denk ik zeg het even, dat van dat wit in je oren, voordat iemand anders dat doet.” “Het is scheerschuim,” antwoordde ik “mijn spiegel deed het vanochtend niet.” Vanuit het kinderstoeltje voorop de fiets klonk een oprecht nieuwsgierig “Wat is scheerschuim?”. Nog voor ik die vraag het antwoord kon geven die het verdiende sprong het stoplicht op groen en kwamen fietsers en brommers in beweging. Sein voor het kind dat achterop de fiets van de vrouw zat om op de bagagedrager te gaan staan. Bepakt en bezakt met twee passagiers en een glimlach op de lippen sloeg ze rechtsaf waar ik rechtdoor ging.
Geen review

“Zonder illusies is het zwaar leven en op die momenten dat je een illusie armer bent komt er beter een splijtend inzicht voor in de plaats die een beter en rijker mens van je maakt anders is het gewoon zwaar kut.” – Anoniem
Ik ging de avond blanco in. Was mijn illusie. Ik kende van de artiesten alleen Remy, Ties en Martin en waar het de huidige staat van de (moderne) dans betreft was ik volstrekt onwetend. Dat gezegd hebbende: ik vond de dans verrassend licht en uitnodigend. Tango-licht bijna. Niet het zwoegende en dwingende dat zo vaak aan de moderne dans kleeft – ver verwijderd van lichaamshoudingen die “spierpijn!” schreeuwen. Het samengaan met muziek, dans en zang vond ik goed gedaan, het was nergens te gezocht en waar het mijn waardering betrof, of gebrek daaraan in sommige gevallen, was het louter mijn smaak die wikte en beschikte. Ik denk dat iedereen vanavond naar behoren zijn (of haar, even twijfel ik aan het genderneutrale “hijn”) rol heeft volbracht. Met name Ties Mellema in zijn overhemd van de WE was erg goed. Martin Fondse, die ingebouwd in een paleis van toetsen, wijlen Keith Emerson met succes terug op aarde bracht was verbluffend en Remy van Kesteren, die in navolging van Andreas Vollenweider de harp zo succesvol tot solo-instrument verhief, was uitzonderlijk. Het was een goed stel, om het met Theo Reitsma te zeggen (voor iedereen jonger dan 50: Europees kampioenschap voetbal 1988, de stellingen van de Tweede Wereldoorlog waren nog maar nauwelijks verlaten en onze jongens, wij dus, zegevierden op Duitse bodem); muziek, dans en zang (ik zal vriendelijk zijn voor Remy’s, door een synthesizer vervormde, stem) vormde een mooi organisch geheel. In de twee stukken na de pauze stonden twee dansduetten op het programma. En hoewel in beide stukken de lichamelijke dialoog niet tot Cherkaoui-achtige hoogte reikte, was het eindresultaat zeker bevredigend te noemen. Men had voor Dutch Doubles een gemêleerd gezelschap artiesten uitgenodigd en het orkest van voor de pauze maakte hier plaats voor een singer-songwriter (die al eens op tv was te bewonderen maar niet door mij) en een stuk voor piano en viool die tot de betere stukken van Arvo Pärt mogen worden gerekend. De zanger in het eerste stuk had een erg prettige stem, ik moest alleen even over mijn gebrek aan affiniteit met singer-songwriters heenstappen (iemand alleen met een gitaar vind ik eigenlijk alleen maar leuk als ik op een camping in Zuid-Frankrijk met de Brothers Dangers zit) wat niet helemaal lukte want van alle platgetreden akkoordenschema’s en tekstonderwerpen had de brave borst zo ongeveer de meest platgetreden akkkoordschema’s en tekstonderwerpen uitgekozen. Het stuk daarna, op muziek van Pärt, beviel mij beter en brachten, mede door de Russisch aandoende klanken, gevoelens van oprechte beroering in mij boven.
– Leefde Prokofiev nog maar, denk je dan
– Maar die is al bijna 70 jaar dood
– Ja, maar toch, die wist wel van toeten en blazen als het om een ballet ging
– Vond je dit niet goed dan?
– Jawel, maar met muziek van Prokofiev, een sonate voor piano en viool bijvoorbeeld, in een niet heel ver verleden toch heel verdienstelijk op de plaat gezet door Janine Jansen, was het nog beter geweest
– Nog beter? Maar je zei net dat je ontroerd was
– Was ik ook, maar met muziek van Sergei was ik nog ontroerder geweest. Ontroerderder.
– Ik vind dat je zeurt
En door
Voor de afsluiting had men Wende Snijders gepolst en bereid gevonden het Muziektheater in een voetbalstadion te veranderen. Door wat ik van haar wist, of dacht te weten, iets met Franse chansons, viel het geluid dat er uit haar keel en begeleidingsband kwam me een beetje rauw op de dak. Een mens leeft makkelijker als hij zichzelf zijn illusies gunt en hier sneuvelde er een. Het idee dat wanneer je blanco ergens in stapt je je geest makkelijker openstelt, stierf deze avond een roemloze dood. In alle eerlijkheid: ik denk dat de fans van Wende, en dat waren er zo te horen genoeg, een geweldig concert hebben gezien en gehoord. Deze brombeer vond weliswaar de combi concert & dans goed gedaan – ik vond haar rol in het ballet gedurfd én goed uitpakken – maar haar optreden was voor mij toch vooral een herinnering aan het feit waarom ik de popmuziek van tegenwoordig zo moeilijk te hachelen vind. Te beginnen is daar het galmbak-geluid, een reverb op instrumenten en stem die moet verhullen dat het vooral klatergoud is dat er blinkt en klinkt. Daar kwam bij dat ik de nummers maar zo-zo vond en er tot overmaat van ramp, vers uit het land van appels en peren, ook nog referenties binnenvlogen die zich vervolgens niet meer uit de hersenpan lieten verwijderen. Met “galmstem-doet-poging-indruk-te-maken” toverde Wende, als daalde ik af in een boze droom, popster Anastasia voor mijn neus (van een paar jaar terug alweer, hier kun je me ’s nachts vooral niet voor wakker maken) en deed haar versterkte geluid (dat in het Muziektheater klonk al een klok waar een barst in zat) me weemoedig terugverlangen naar de vorige uitvoering die ik op dit podium zag: “Tristan und Isolde”, waarin Tristan (Stephen Gould) het in het derde bedrijf opneemt (zonder microfoon!!!) tegen een volledig op stoom gekomen 100-koppig orkest – de controle over zijn stem daarbij nimmer verliezend. Mijn gedachten dreven af en vertelden me dat ik niet in staat zou zijn dit optreden goed op zijn merites te beoordelen. Ik was de Champions League met de Eerste Divisie aan het vergelijken. En na Wagners godendrank was dit een plas lauwe pils van die Belgische bierbrouwer die de Eerste Divisie sponsort.
Ik hoop niet dat voorafgaande, waarin ik mezelf wellicht tot iets teveel zeiken heb verleid, anders doet vermoeden maar ik had een buitengewone avond. Met dank ook aan Kim en Anne die erg prettig gezelschap waren. En Ties natuurlijk, in zijn mooie overhemd van de WE.
NB: Dit was geen review.
(Afbeelding: Leonora Carrington – The Palmist)
Lente

Ik heb het op de eerste zomerse dag (wat is zo’n winterjas dan warm zeg) helemaal voor elkaar; wat pilsjes de koelkast in – vriezer eigenlijk, dat gaat sneller – en aan de boerenkool met worst.
Heerlijk deze tijd van het jaar, de mooiste tijd van het jaar als je het mij vraagt, waarin alles opnieuw begint en dat wat buiten tot bloei komt de innerlijke mens zo begeestert. In mijn hoofd groeit een boom waar een vogel een nestje in heeft gebouwd. Op resoluut scherpe toon zingt het zijn lied. In parelmoere klanken. Over wat was en wat komen gaat.
(Afbeelding: George Redhawk)
Nacht en Ontij
NACHT EN ONTIJ is een plaat uit 1968 waarop een jonge Boudewijn de Groot , tot experimenteren bereid, alleszins toegankelijke en mooie kolder bij elkaar harkt. Met ruim 40 muzikanten, waaronder Eelco Gelling op gitaar (De Groot had carte blanche gekregen van de platenmaatschappij) sluit dit heksenbrouwsel op een prettige manier aan bij het inmiddels, door de aankomende lente, verlichte gemoed.
Sinterklaas in het voorjaar
Er dreven ganzen voorbij in de Diemertrekvaart en er vloog een vliegtuig over. In de lentezon van de vroege ochtend vervolgde ik mijn weg om, eenmaal daar aangekomen waar ik wezen moest, de woorden en melodietjes die al de hele ochtend op de binnenkant van mijn schedel hadden geklopt niet langer te onderdrukken en ruim baan te geven. Uit volle borst klonk het van de maan die door de bomen scheen.
Wat volgde waren beteuterde blikken in een gewijde stilte die uiteindelijk werd verbroken door de zware basstem van een collega wiens diepdoorfronste gelaat behalve frustatie een zekere moedeloosheid verried:
“Er worden hier geen Sinterklaasliedjes gezongen!”.
“Ja maar,” probeerde ik nog: “de zon schijnt, het is voorjaar!”
“Precies! Daarom!”
“Pipo de Clown en Mamaloe …”
Er vloog nog een vliegtuig over.


