De kaft met craquelé, de bijna gebroken rug en de fragiele uitstraling voorspellen het al: de dag waarop dit boekje bij de drukker vandaan kwam ligt alweer enige tijd achter ons. Extra voorzichtig pak ik het op.
Het is een boekje over Physiognomiek en Chiromantie. Woorden waarvan de betekenis mij onbekend is. Physiognomiek en Chiromantie, zo blijkt, beslaan de wetenschap waarmee men aan de hand van uiterlijke kenmerken iemands karakter kan duiden en het is alsof de schrijver voorvoelt dat de kans vrij groot is dat de lezer, eenmaal geïntroduceerd met de koppeling van deze termen aan het woord “wetenschap” diens betoog verder met een korreltje zout zal nemen. Nog voor hij ter zake komt beklemtoont hij dat wat verder volgt beslist geen bedriegerij of bijgeloof is – men moet zich beslist niet laten leiden, of afleiden, door de slechte naam die de zigeuners, “een volk welks oorsprong men zelfs niet eens kent”, het waarzeggen, het handlezen, hebben gegeven, het zijn immers niet de artsen die schuldig zijn aan kwakzalverij. Meer dan de pogingen van de schrijver te bepleiten wat anno 2019 volstrekt ongeloofwaardig klinkt (of zou moeten klinken, je zou ze de kost niet moeten geven, de hedendaagse schedelmeters) is het de leeftijd van het boekje dat nieuwsgierig maakt. Onderaan de titelpagina vallen mijn ogen op een jaartal: 1828.
1828. Dat is 1 jaar na de dood van Beethoven, 7 jaar na de dood van Napoleon, 37 jaar voor de moord op Abraham Lincoln en precies 100 jaar voordat mijn vader wordt geboren. Dit boekje is een ingebonden tijdreis.
Het blijkt dat de “wetenschap” om aan uiterlijkheden te onttrekken wat in het binnenste der mensen huist – met de daaraan gekoppelde voorbestemming – ook in 1828 niet onomstreden was. Dit boekje is een poging centraal te stellen wat toen al was weggedrukt naar de rand van de menselijke kenniswereld. De gedachten aan een besmet verleden (en de gedachte dat dat verleden allesbehalve resistent is voor een mogelijke herleving) houden de glimlach op mijn gezicht niet tegen als ik lees over de “diepliggende ogen” die men meestal bij bedriegers en schurken, “bij alle slechte menschen,” aantreft. De schrijver dacht, 138 jaar voor mijn geboorte, ook aan mij.
Voorzichtig doe ik het in een afsluitbaar plastic zakje, maatregel tegen verzuring en papiervraat. Een poëtische bestemming voor een gedachtegoed, hier gepresenteerd als zelfverklaarde wetenschap, dat niet al teveel buitenlucht verdraagt.











