In de trein van Amsterdam naar Antwerpen dringt zich de wenselijkheid van een meldpunt op. Een meldpunt met een vooruitzicht op verandering. Een plaats waar men mensen kan aangeven die – in bezit van een lelijke stem en een lelijke taal – hun mond niet houden. Een plaats waar men zijn grieven over mensen met irritante beltonen die hun telefoon niet opnemen kan uiten zodat passende maatregelen kunnen worden genomen. Dito voor de mensen met irritante beltonen die hun telefoon wél opnemen om irritante gesprekken te kunnen voeren. Een loket waar al die mensen – l’enfer c’est les autres – die op hetzelfde moment in de trein moeten zijn als ik, de man die een boek wil lezen in deze woestijn van geluidsvervuiling, een kaartje voor de volgende trein, nà mij, kunnen krijgen.
Zaterdagmopper in een intercity. Zweetdruppels, het begint hier warm te worden, parelen zich inmiddels een langzame weg vanonder mijn haargrens naar de bovenkant van mijn wenkbrauwen, rangschikken zich in fijnzinnig contrapunt om er in tonen van verschoten geuren kond te doen van wat soms zo gemakkelijk vergeten wordt. Om dingen echt op waarde te kunnen schatten is het nodig om voorbij de eerste indruk, voorbij het ogenschijnlijke gebrek aan schoonheid te kijken. Terwijl we station Rotterdam inrijden, en de dame naast mij een sandwich met een overrijp ei uit een kartonnen driehoeksverpakking trekt, probeer ik het nog maar eens een keer …

