Op weg naar huis, naar Amsterdam-Oost via Betondorp en het kerkhof, lag het met lange schaduwen beslagen fietspad erbij als een lommerrijke kantlijn voor woorden die met zweet op schrift werden gesteld.
De zonnestralen van de stoep afrapend, de violen in de tuin aanstarend. Alles is mooi – ik denk aan chocoladeijs – en niets weerhoudt me ervan mijn tocht te onderbreken voor een korte stop bij de ijssalon. Liefde — voor het leven en voor alles — gaat immer door de maag en de buurvrouw van de Middenweg, met in haar hand een plastic zakje van de Zeeman waaruit een kort gestreept hemdsmouwtje steekt, houdt een ogenblik halt om, licht voorovergebogen, even lekker op de stoep te kotsen. Zweterige zwaarlijvigheid op een bloedhete dag.
Onder een UV-rijke hemel botst de energie van vitamine D op de lome rust van lange dagen. In het park ligt het gras vergeeld, verlaten door de regen, tot dorst veroordeeld. Zie de zon schijnt door de bomen en de lucht hijst, tot afgrijzen van een lijster met een droge mond, de middag in een helblauwe jas. Vergeefs wordt de hemel tot vergrijzen gemaand en het zelfstandig naamwoord waarmee men de kachel aanmaakt wordt tot werkwoord gemaakt.
Ik hout van jou.
Laat de boeren maar dorsen, de slagers maar pezen, de burgers besteden. De versnelling van door zon bezeten pubers gaat over in het rubato van de gestolen tijd als een oude man zijn plekje aan de waterkant inneemt. Op zoek naar koelte, de koelte mijn wens, een mens kan altijd dromen.
Wie zijn gedachten niet loslaat houdt ze vast. Tot een volgende keer als de mogelijkheid zich voordoet in geuren en kleuren te verslaan, verhaal te halen en te vergaan. Te dreinen en te treinen, tot de zomer gaat en de kou weer uit de stoeptegels slaat.
Wie kan het eigenlijk wat schelen hoe laat het is?

