Er dreven ganzen voorbij in de Diemertrekvaart en er vloog een vliegtuig over. In de lentezon van de vroege ochtend vervolgde ik mijn weg om, eenmaal daar aangekomen waar ik wezen moest, de woorden en melodietjes die al de hele ochtend op de binnenkant van mijn schedel hadden geklopt niet langer te onderdrukken en ruim baan te geven. Uit volle borst klonk het van de maan die door de bomen scheen.
Wat volgde waren beteuterde blikken in een gewijde stilte die uiteindelijk werd verbroken door de zware basstem van een collega wiens diepdoorfronste gelaat behalve frustatie een zekere moedeloosheid verried:
“Er worden hier geen Sinterklaasliedjes gezongen!”.
“Ja maar,” probeerde ik nog: “de zon schijnt, het is voorjaar!”
“Precies! Daarom!”
“Pipo de Clown en Mamaloe …”
Er vloog nog een vliegtuig over.

