Een beetje vreemd maakt dat dit alles des te lekkerder smaakt. Al is lekker niet het woord dat ik zoek bij het duiden van deze film. Twee mannen alleen in een vuurtoren op een rots waar ze niet af kunnen. Drank, duisternis en gedachten die zich, onstuimig als de golven die op de rotsen slaan, niet laten kooien. Op de horror is het dan niet lang wachten. De ene (een weergaloze William Dafoe) is een ouwe zeebonk, de andere (Robert Pattinson, heel goed maar hem als de nieuwe Batman voorstellen is weer een beetje moeilijker geworden) een jongeman die onderweg naar zijn bestemming in het leven bij een baantje als assistent-vuurtorenwachter is aangekomen. In de vuurtoren ontpoppen beide hoofdrolspelers zich in hun onderlinge gesprekken tot onbetrouwbare vertellers van hun eigen levensverhaal en het mysterie dat dit oproept vraagt uiteindelijk niet zozeer om een openbaring, om een verklaring, maar om verdere uitvergroting. Achter krakende vloeren en stinkende latrines ligt het antwoord op het mysterie in een verder mystificeren van het alledaagse. Met de mythologie daarbij als hulpmiddel komt het licht in de vuurtoren als prometheïsche buit waaraan een bijpassend akelig prijskaartje hangt – het laatste beeld uit de film heeft mijn netvlies, twee dagen na aanschouwen, nog niet verlaten. Zoals bij filmhorror die fijn is, de toeschouwer weet zich betrokken én tegelijkertijd op veilige afstand, is deze film een mooie afdaling in de donkere krochten van de menselijke psyche die is als een vlucht naar de toppen van de verbeelding. Een filmervaring in stemmig (en trendy) zwart-wit die niet zozeer zoekt naar een verhaal dat kan worden naverteld alswel een soort van zijnservaring is die het absurde invoelbaar maakt en zich niet teveel bekommert om wat nu echt is en wat niet. De conclusie is aan de kijker: die weet na pakweg twee uur dat hij meeuwen voortaan beter met rust laat (ook als deze hem niet met rust laten) en dat, voorbij de horror van dat laatste beeld, de grootste angsten beter niet worden gereserveerd voor demonen die wachten in het donker maar voor de eigen verlangens waarmee men de alles verpletterende normaliteit van alledag te lijf gaat.

