Coronadagboek II

Lief Coronadagboek,

Nadat ik de afgelopen twee weken de school van de fijngevoeligheid en de reflectiefilosofie heb doorlopen betrapte ik mezelf van het weekend op een gevoel van verveling. Ik besloot tot het schoonmaken van de keuken waarop mijn vriendin vroeg of ze de dokter moest bellen. “Onkarakteristiek gedrag staat niet op de lijst van symptomen,” zei ik. In het ontvluchten van de verveling zocht ik pathos in het poetsen. Met het doen van een vervelend klusje hoopte ik te ontsnappen aan de sleur. Een schone keuken voor een schone geest.

In het genie is de onbewuste natuur scheppend. Mijn werk zit er op voor vandaag en ik kijk nu al een uur naar mijn plafond – ik besluit dat ik geen genie ben. Ik wil iets opschrijven maar wat ik opschrijf wens ik zelf niet te begrijpen. Tegelijkertijd wil ik wel dat het me iets vertelt. Ik wil de ontvanger zijn van wat ik zelf heb geschapen. Mezelf verrassen. Ik wens mezelf niet in alles te kennen. Iets niet weten is makkelijk (wist jij bijvoorbeeld dat Wubbo Ockels jarig is geweest? Ik niet, ik heb zaterdag niet  gegoogled.) maar iets niet van jezelf weten zodat het je kan verrassen blijkt lastig. Het is een beetje als schaken met jezelf. Bij iedere zet die wit vooruit denkt, denkt zwart twee zetten vooruit enzovoort. Is er weleens iemand geweest die zichzelf op die manier heeft mat gezet?

Het idee dat het genie in het onbewuste schuilt is een romantische. Het is het idee dat wat ons plotseling, als bij goddelijke ingeving, invalt superieur is aan wat uitvoerig voorbereid en bedacht is. Het idee – het kreeg in de vroeg-19e eeuw voet aan de grond in Duitsland, de tijd waarin het door de Franse Revolutie van de sokkel getrokken godsverhaal met esthetische middelen werd voortgezet – vatte tot ver in de 20e eeuw post. Het was een idee dat rondwaarde als er bijvoorbeeld kunstsubsidies moesten worden verdeeld. Godfried Bomans schreef er eens een leuk stukje over. Tegen de heiligverklaring van de goddelijke inval. Tegen het waanbeeld dat wat in geinspireerde momenten uit pen, tekstverwerker en/of instrument vloeit van betere kwaliteit is dan werk waarvoor geploeterd is. De afrekening met het geniale onderbewustzijn schept troost én verplichting. Het is in een tijd waarin een zekere loomheid van handelen niet zonder voordelen is een aansporing aan de slag te gaan en vooral niet te wachten tot de Creator Spiritus, in corontaine-tijden, op bezoek komt. Tolstoj herschreef ‘Oorlog en Vrede’ uiteindelijk zeven keer voordat de wereldliteratuur er een meesterwerk bij had. Geen druk verder.

Foto: slimesunday.com

Coronadagboek

Lief Coronadagboek,

Het was vandaag een mooie dag. Terwijl ik me in de tot studio omgebouwde slaapkamer naar het einde van weer een andere dag toe werkte stond buiten de zon hoog aan een heldere hemel (mooi maar saai, er was zelfs geen wolkje waar je gezichten in kon proberen te ontdekken). Op de gang lag mijn vriendin in hinderlaag met een schaar (ik had drie weken geleden al naar de kapper gemoeten en nu komt er tot juni niet meer van). Werken deed ik wel vaker vanaf thuis maar na pakweg 10 dagen in opgelegde afzondering (frisse neuzen halen we op het balkon en uitstapjes naar de supermarkt staan inmiddels op rantsoen) gaan de dagen steeds meer onopgemerkt in elkaar over; zij worden steeds meer als een reis naar binnen. Een reis waarbij de bewustwording zich verfijnt; ik proef bloemen in mijn koffie, de thee is nog nooit zo geurig geweest en de muziek in mijn oortelefoontjes masseert de geest op een mij niet eerder gekende wijze. In het inmiddels geïnstitutionaliseerde handenwassen blijken meditatieve kwaliteiten te huizen.

De reis naar binnen gaat me normaal gesproken goed af, nog wel, zij is me niet onwelgevallig maar inertie ligt op de loer. Met de periode van afzondering die achter de rug is én nog in het verschiet ligt, zijn de goede voornemens van 10 dagen geleden (alle 14.000 verzen van La Divina Commedia lezen, plus Faust I & II) inmiddels aan een eerste serieuze test toe. Dante maakt plaats voor melige home video’s en dat boek dat er in mij huist blijkt serieuze concurrentie te hebben gekregen van een gevoel van onthaasting dat tot morgen wil uitstellen waar vandaag aan kan worden begonnen.

In de woonkamer, de loopgraaf waarin deze oorlog tegen het virus wordt uitgevochten, zie ik een film en in de gepixeleerde werkelijkheid van een computerscherm begint één ding steeds meer op te vallen: de mensen die in films en series onbekommerd reizen, zich in grote groepen begeven en elkaar aanraken zijn beelden uit een andere wereld aan het worden. De virtuele en werkelijke wereld zijn zich van elkaar aan het verwijderen omdat de werkelijke wereld noodgedwongen tot stilstand is gekomen.

Vannacht droomde ik van een man, ikzelf, die een heel groot gebouw binnenging. Het bleek een magazijn vol boeken. In die enorme, schijnbaar oneindige bibliotheek zette de man zich aan het lezen en dat hield hij pakweg twee eeuwen vol. Waar de verhalen en inzichten die via de boeken tot hem kwamen de eerste decennia nog voor verrijking zorgden begon zijn geest zich na pakweg een eeuw steeds meer te vervreemden van wat hij las. Alsof de boeken steeds minder tot hem spraken. Hij had zelf al een eeuw niets meer aan den lijve meegemaakt en de herinnering aan het leven dat hij had voordat hij het boekenpaleis was binnengegaan was bijna vervaagt. Hij slaagde er niet meer in contact te leggen met de gebeurtenissen, emoties en gedachten waarover hij las. Doordat het fysieke leven zo lang had stil gestaan lukte het hem niet meer om de geest te verversen. Literatuur/kunst waar geen eigen verhaal meer aan kan worden toegevoegd laat na een beleving te worden die nodig is om er waarde aan te kunnen onttrekken. Na pakweg twee eeuwen (in een droom van waarschijnlijk nog geen 20 seconden) was de oneindige bibliotheek – die zich aanvankelijk, vrij naar Borges, als een hemel etaleerde – een gevangenis geworden. Het leven heeft onderhoud nodig, zo leek de droom te willen zeggen, en ik zette me na het wakker worden aan het maken van een kopje thee.

GIF: Joel Remy

The Lighthouse

Een beetje vreemd maakt dat dit alles des te lekkerder smaakt. Al is lekker niet het woord dat ik zoek bij het duiden van deze film. Twee mannen alleen in een vuurtoren op een rots waar ze niet af kunnen. Drank, duisternis en gedachten die zich, onstuimig als de golven die op de rotsen slaan, niet laten kooien. Op de horror is het dan niet lang wachten. De ene (een weergaloze William Dafoe) is een ouwe zeebonk, de andere (Robert Pattinson, heel goed maar hem als de nieuwe Batman voorstellen is weer een beetje moeilijker geworden) een jongeman die onderweg naar zijn bestemming in het leven bij een baantje als assistent-vuurtorenwachter is aangekomen. In de vuurtoren ontpoppen beide hoofdrolspelers zich in hun onderlinge gesprekken tot onbetrouwbare vertellers van hun eigen levensverhaal en het mysterie dat dit oproept vraagt uiteindelijk niet zozeer om een openbaring, om een verklaring, maar om verdere uitvergroting. Achter krakende vloeren en stinkende latrines ligt het antwoord op het mysterie in een verder mystificeren van het alledaagse. Met de mythologie daarbij als hulpmiddel komt het licht in de vuurtoren als prometheïsche buit waaraan een bijpassend akelig prijskaartje hangt – het laatste beeld uit de film heeft mijn netvlies, twee dagen na aanschouwen, nog niet verlaten. Zoals bij filmhorror die fijn is, de toeschouwer weet zich betrokken én tegelijkertijd op veilige afstand, is deze film een mooie afdaling in de donkere krochten van de menselijke psyche die is als een vlucht naar de toppen van de verbeelding. Een filmervaring in stemmig (en trendy) zwart-wit die niet zozeer zoekt naar een verhaal dat kan worden naverteld alswel een soort van zijnservaring is die het absurde invoelbaar maakt en zich niet teveel bekommert om wat nu echt is en wat niet. De conclusie is aan de kijker: die weet na pakweg twee uur dat hij meeuwen voortaan beter met rust laat (ook als deze hem niet met rust laten) en dat, voorbij de horror van dat laatste beeld, de grootste angsten beter niet worden gereserveerd voor demonen die wachten in het donker maar voor de eigen verlangens waarmee men de alles verpletterende normaliteit van alledag te lijf gaat.

Snijden aan gras

In het blauwgrijs van de vroege ochtend sneed hij zich op canonieke wijze in de vingers. De ijsbloem lachte besmuikt en de rijp, glinsterend als gesmolten suiker, dacht er het hare van. Een diepe stilte omhulde huis en gras toen hij, kil en verstijfd, overeind kwam en de droom van een zacht soezend verblijf voor een haard met smeulend hout maar met moeite weerstond.

Onder een heraldisch zwart gemoed voltrok zich, op geheel eigen wijze, de winter.

Jaarafsluiting

Ik heb mijn vaderlandslievende plicht weer eens verzaakt en ook dit jaar niet gestemd voor de Top 2000. Jammer, omdat de rest van NL het nu op weg naar het jaareinde zonder onderstaande prachtplaatjes moet stellen. Dat wil zeggen … de kans om eenieder wat fatsoenlijks te laten horen laat ik natuurlijk niet zomaar voorbij gaan. Komt-ie. Nummers die resideren in de coulissen van die lijst waarin Queen wel weer op 1 zal staan, bijvangst van die tweemillenia-liedjes-lange-lijst die nog niet over zijn eigen voorspelbaarheid is gestruikeld. Tijd voor nummers die kont schoppen (en wel een kontje kunnen gebruiken).

Alles is goed aan Wrong Side. Een nummer van Strapping Young Lad, de heavy metal natte droom van Devin Townsend. Een soort Bohemian Rhapsody op anabole steroïden. Harder, sneller en beter. Iedere poplijst waar dit nummer niet in staat in geen lijst maar een excursie door het maag-darmkanaal van een zieke meeuw.

Dat het Braziliaanse PANDEMMY ook dit jaar de top 2000 op een haar na niet zal halen is werkelijk van Satan besnuffeld. Sinds een paar jaar bedient het Braziliaanse metal-combo zich van een zangeres die grunt zoals het de zwaarste van haar mannelijke collega’s betaamt en dat levert allerlei fraais op. De grunt, diepliggende gromzang, ligt wat meer in dat deel van het geluidsspectrum waar ook drums en basgitaar zich ophouden maar het relatieve gebrek aan melodie op die afdeling wordt subliem aangevuld door de gitaren die inventieve melodielijnen voor hun rekening nemen en scheuren alsof ze hun eigen metalvariaties op “Flight of the Humble Bee” spelen. Iedere lijst, kan me niet schelen om welk genre het gaat, waar niet tenminste één nummer van PANDEMMY in staat is geen lijst maar een aanfluiting van jewelste, een theekransje in de gesprongen aorta van een kotsmus die net zijn laatste adem heeft uitgeblazen.

En tenslotte het voor de hand liggende.

In een lijst die zich top noemt en pretendeert muziek te herbergen staat dit nummer op 1. Zo niet, dan is het geen lijst maar een verblijf in een achterwerk met daarin gas voor 30.000 scheten waarin nodig wat ramen en deuren tegen elkaar moeten worden opengezet.

Ace of Spades van Motörhead om de dag, de week, de maand, het jaar en het decennium af te sluiten. Hasta Luego!

Het laatste Kerstfeest

– Jij houdt toch van opera.
– Ja, eh.

– Vind je dit niet leuk dan?
– Uuuuuuuuuuuuh

De vraag met retorische veronderstelling als opmaatje voor een ongetwijfeld grappig antwoord want hoe moet je dit niet leuk vinden? Hoe moet je hier niet om lachen? Hoe moet iets dat zwart is en in de boom hangt geen kachel zijn?

Tekenen van de nadere apocalyps klonteren samen boven een podium waar George Michael het in zijn Last Christmas-onderbroek doet en de orkestbak in lazert. Ach mijn arme oren, had ik ze verleden week maar niet laten uitspuiten.

Dit is – voor alle duidelijkheid – geen Highway to Hell of een afdaling in Dantes Inferno. Dit is geen tocht over de Styx naar de contreien van Hades, geen tocht diep in het hart der duisternis. Dit is het arriveren, de aankomst. Wie hier binnentreedt laat alle hoop varen. Hier smelten alle kringen van de hel samen. Hier tart het lot van hen die beter hadden moeten weten en vergaten tijdig om te keren iedere beschrijving: ondersteboven hangend met je kop in een emmer waar de duivel zijn darmen in heeft ontsluisd, verzuipend in het maagzuur van een Cthulhu die net het rottend kadaver van een zeekoe heeft verorberd. Zeg niet dat ik niet gewaarschuwd heb, klikken is geheel op eigen risico. Weet dat bij het kijken in het ravijn, het ravijn altijd terug kijkt. Waarom dan toch delen? Iets met halve smart? Misschien. En een prettig kerstfeest nog voor later. Ik heb nog meer te doen.

Forenzenproza

Prometheus stal het vuur van de goden en gaf het aan de mensen omdat hij vond dat die goden bij het uitdelen van leuke dingen de mensheid er maar bekaaid had laten afkomen. Het was een geschenk van niet geringe omvang, de mens wist het op waarde te schatten. Zo ook in Duindorp, een klein plaatsje in Holland, enclave van nuchterheid in een steeds wilder wordende wereld, waar men zich met vaardigheid en moederlijke zorg over deze pril verworven gift ontfermde. Maar niet voordat ze Prometheus -die van al te zuid-Europese origine was- het dorp hadden uitgeflikkerd. Ondankbaarheid is ’s werelds loon, forenzenproza het enige dat rest en een aquarium vult men het beste vanaf de bodem.

Schrijven is associëren. Je filtert er je gedachten mee, brengt orde aan in wat onbestemd en chaotisch is en maakt van de wereld een min of meer coherent geheel.

Zittend op een uitklapstoeltje in de Sprinter naar Weesp, rijdend door Hollands laagland, de lucht helder en koud, tik ik door mijn vingerhandschoen heen dat Vincent van Gogh nooit een trein schilderde. De man uit Nuenen hield het liever bij zonnebloemen bij de thee en een aardappeleter op de koffie. Ieder het zijne. Met Vincent van Gogh heeft Elmer McCurdy gemeen dat het een kogel was die een einde aan zijn leven maakte en dat zijn faam hem vooral postuum ten deel zou vallen. McCurdy was een beroerde schilder, waarschijnlijk heeft hij zelfs nooit een kwast in handen gehad. Hij hield zich aan het begin van de 20e eeuw voornamelijk bezig met diefstal maar de kruimels waren hem op een gegeven moment niet goed genoeg meer. Hij ging het zoeken in geldtransporten. De Odyssee van de kruimeldief die een grote slag wilde slaan was er een van trial en heel veel error. Zijn eerste kluis blies hij op met zoveel dynamiet dat behalve de kluis ook het geld werd vernietigd. De tweede keer gebruikte hij te weinig springstof; het liet de kluis ongedeerd en het geld onbereikbaar. De derde keer nam hij de verkeerde trein. In plaats van een geldtransport stapte hij een passagierstrein binnen. Met een buit van 46 dollar en twee flessen whiskey maakte hij zich uit de voeten. Het was een politiekogel die hem – op de vlucht, in kennelijke staat, van de twee flessen whiskey werd er later eentje leeg teruggevonden – uiteindelijk fataal werd. Zijn lijk werd door niemand opgeëist. Op zoek naar een bijverdienste besloot de begrafenisondernemer van dienst het lichaam van McCurdy te balsemen en tentoon te stellen. Dat werd een groot succes. Aan die bijverdienste kwam een einde toen er man opdook die beweerde een broer van McCurdy te zijn die zijn broer een fatsoenlijke begrafenis wilde geven. De begrafenisondernemer kon weinig anders dan het lichaam meegeven. De broer van McCurdy was niet zozeer de broer van McCurdy maar een soort rondreizende John de Mol die het lichaam van de gestorvene tot een attractie in zijn circus sideshow maakte. McCurdy ging postuum op tournee door de VS. Hij kon niet weten dat er voor hem een filmcarrière in het verschiet zou liggen.

In de jaren 60 werd het gemummificeerde lichaam van Elmer McCurdy – inmiddels een omzwachtelde pop waarvan niemand meer vermoedde dat er een echt mensenlichaam in zat – gebruikt als rekwisiet dat o.a. kort is te zien in de film ‘She Freak’ – een verder niet heel bekende of hoogstaande rolprent. In 1977 betekende een opname voor een aflevering van de Man van Zes Miljoen voor McCurdy een doorbraak naar het grote publiek. Tijdens het schieten van een scène in een pretpark stootte een van de productiemensen een pop van de muur. Er brak een arm af. Uit de afgebroken arm stak een mensenbot. Onderzoek wees uit dat het om het lichaam van Elmer McCurdy ging. Zesenzestig jaar nadat McCurdy het tijdelijke voor het eeuwige had ingewisseld kreeg hij, behalve naamsbekendheid die hem niets meer opleverde, alsnog een begrafenis. Op zijn graf werd een dikke betonlaag gestort om het te beschermen tegen grafrovers.

Voor wie dat wil zijn de foto’s van een dode en gemummificeerde Elmer McCurdy makkelijk te googlen. Ik laat het hierbij even bij wat bewegende beelden uit die aflevering van de Man van Zes Miljoen waarin Lee Majors met Bigfoot vecht en het monster daarbij een arm afrukt *. Wie zich dat nog kan herinneren heeft een gelukkige jeugd gehad.

Soms is forenzenproza al dat rest.

* De schrijvers van de Man van Zes Miljoen waren van de klassiekers niet vies toen ze refereerden aan het gevecht van Beowulf waarin deze de arm van Grendel afrukt. Van de Bruid van Frankenstein hadden ze ook gehoord toen ze de bionische man een bionische vrouw cadeau deden. Farrah Fawcett was haar naam, in het echte leven de vrouw van Lee Majors. Die konden voortaan carpoolend naar hun werk. Van de makers van de Man van Zes Miljoen werd hun kennis van de klassiekers slechts overtroffen door een CO2-Bigfootstapbewustzijn dat zijn tijd ver vooruit was. 

De pil van Harstad

max, misha

Het zal mede aan de preoccupatie van de hoofdpersoon Max met de film Apocalypse Now hebben gelegen dat ik dit boek niet kon wegleggen (in augustus weer in de bioscoop, de ‘definitieve’ final cut dit keer!). Johan Harstads hiervoor gelezen boek Buzz Aldrin, waar ben je gebleven? was met 600 pagina’s wat aan de dikke kant, dit boek had met ruim 1.200 pagina’s nog wel even mogen voortduren. Het leest als een bingewatch-waardige serie: als je er eenmaal inzit vergeet je tijd en omvang. Het is een beetje als een soap, en dat is niet oneerbiedig bedoeld, die op wonderlijke wijze samenvalt met je eigen leven – als een auto die voorbijkomt en zijn geluid naadloos laat samenvallen met de muziek waar je op dat moment naar aan het luisteren bent. (Over muziek gesproken: alle verwijzingen daarnaar, of het nu om Kim en Thurston van dat bandje gaat dat verder niet bij naam wordt genoemd, Sonic Youth, of Charlie Mingus, of een concert van Iron Maiden onder de Brandenburger Tor, ze lijken geschreven met de platenkast van ondergetekende in het achterhoofd. Dat er op pagina 666 iemand met de bijnaam Antichrist wordt opgevoerd is niet de meest originele grap, meer een knipoog, door de auteur toegeworpen vanachter zijn schrijftafel, aanzet om The Number of The Beast nog eens op te zetten, een bevestiging van wat je op dat moment eigenlijk al lang weet: dat dit boek speciaal voor jou is geschreven. Kersen op de taart bij dezen: In het weekend dat ik naar de laatste Avengers-film ga brengt hoofdpersoon en theatermaker Max het toneelstuk Endgame van Samuel Beckett ter sprake en als ik op 4 mei aankom bij een verhandeling over de sterfdag van Tito, op 4 mei, verbaast me dat niet eens meer – het is immers allemaal zo voorzien).

In  Max, Misha & het Tet-offensief schrijft Johan Harstad lange zinnen, sommige gaan over de pagina heen, maar geen moment wordt de indruk gewekt dat de vorm het bij hem overneemt van de inhoud. Integendeel. De vorm voegt zich op natuurlijke wijze naar het verhaal wat vertelt moet worden. Zijn schrijfstijl ademt ondanks lange zinnen en een ongetwijfeld concencieuze voorbereiding de vrijheid van een improvisatie. Alsof wat geschreven is snel weer plaats moet maken voor wat volgt – op de achterflap wordt de vergelijking met jazz gemaakt. Lange zinnen, sheets of words, waarin de schrijver zelf lijkt te verdwalen, niet lijkt te weten hoe hij ze moet laten eindigen. Neerslag van een berg aan herinneringen, een stroom aan gedachten, opgeschreven voordat ze weer vervlogen zijn. Observaties die langs meanderende woordrivieren naar een kern van de zaak moeten leiden waarbij de schrijver zelf niet weet wat die kern is. Het gaat om de reis, niet om de aankomst. Een reis die bij momenten, helemaal in lijn met de Apocalypse Now-obsessie van de hoofdpersoon, op een persoonlijk Heart of Darkness lijkt af te stevenen. Het resultaat doet me naar adem happen.

Ondanks zijn wijdlopigheid, met al zijn zijsporen en schijnbaar achteloos rondgestrooide observaties, verliest Harstads tekst geen moment aan urgentie. In een stijl die ondanks alles van een grote nuchterheid getuigt, spreekt zij de diep-romantische wens uit om te willen behouden wat is en terug te willen halen van wat voorbij is. De tekst wordt een mantra, een bezwering, een gepreveld gebed dat het uiteindelijk vergeefs opneemt tegen voortschrijdende tijd en de menselijke natuur die alles van waarde uiteindelijk tot het verleden veroordeelt en uit de handen ziet glippen. En al biedt het einde enige hoop – er lijkt nadat het drama zich eenmaal echt heeft voltrokken zowaar een zonnestraal door te breken – zij staat de lezer geen simpel overgaan tot de orde van de dag toe. Als ik het boek na de laatste pagina heb dichtgeklapt ga ik naar de slaapkamer, het is dan na middernacht, en geef mijn vriendin een dikke zoen; ik zeg dat ik van haar hou. Na meer dan 400.000 woorden ben ik bij de kern van de zaak aangekomen. Bij het enige dat er echt toe doet: besteedt de tijd die je hebt zo goed mogelijk, laat hem niet verloren gaan.

Harstad is een rasverteller, dat was met Buzz Aldrin al duidelijk geworden en ook in Max blaast hij op bijzondere wijze leven in een stapel woorden; woorden die zijn als een vriend die je gezelschap komt houden, bij je op bezoek komt om je deelgenoot te maken van zijn avonturen en opgedane inzichten, een vriend waarvan het jammer is dat hij, na precies 1.230 pagina’s, weer weg gaat. (1.230 pagina’s en een beetje die in een handzame paperback zijn gebonden – op zowel pagina 20 als 813 blijft het boek prima openliggen) Goed, hij zal nog wel even blijven maar wat nu? De laatste van Buwalda dan maar?

Buswoorden

Pedagogisch Kuthumeur. Prima woorden om er in een telefoongesprek, zittend in een volle bus, ruim binnen gehoorsafstand van kinderen onder de 12, even uit te gooien. Pedagogisch Kuthumeur. Naar de context blijft het gissen, de rest van de ongetwijfeld hele gezellige conversatie smoort in de achterkant van de hoge zitting van de stoel waar kinderwagenbezitters op kunnen plaatsnemen. Wij, achteloze omstanders, moeten het doen met woorden die waarschijnlijk zijn als showroommodellen die niet representatief zijn voor wat er verder in de winkel wordt verkocht. Af en toe rijst er een hakkelend gegiechel vanachter de hoge leuning op – een specht met astma.  Pedagogisch Kuthumeur. Het is jammer dat het niet 1 woord is anders had je er met galgje beslist een goede beurt mee kunnen maken.  Terwijl er buiten een vrouw van de fiets afwaait – en daarbij het plastic tasje met boodschappen in het mandje aan haar stuur op acrobatische wijze voor een hardhandige landing op het fietspad behoedt – is de geest definitief los geraakt van de tekst die ik aan het lezen was. In plaats daarvan: Pedagogisch Kuthumeur.  Je hoeft er geen last van te hebben om er toch mee te zitten opgescheept. Met een, naar ik hoop, in 1 keer succesvolle poging te ontsluizen wat in de weg zit, de woorden van iemand die zich wat al te lang, al te bewust is geweest van haar eigen voorbeeldfunctie, en daar met Pedagogische Kuthumor uiting aan wilde geven, denk ik aan wormen. Wormen in een komposthoop. Die doen goed werk, ze eten afval op en poepen vruchtbare grond uit, op een dag eten ze ook jou op dus je kunt maar beter aardig tegen ze zijn. Met een enigzins geklaard gemoed pak ik het boek op dat op mijn schoot ligt. Het waait nog steeds en het regent niet meer als de bus het station binnenrijdt. Met een beetje geluk haal ik mijn aansluiting. 

GIF: Joel Remy

1828

De kaft met craquelé, de bijna gebroken rug en de fragiele uitstraling voorspellen het al: de dag waarop dit boekje bij de drukker vandaan kwam ligt alweer enige tijd achter ons. Extra voorzichtig pak ik het op.

Het is een boekje over Physiognomiek en Chiromantie. Woorden waarvan de betekenis mij onbekend is. Physiognomiek en Chiromantie, zo blijkt, beslaan de wetenschap waarmee men aan de hand van uiterlijke kenmerken iemands karakter kan duiden en het is alsof de schrijver voorvoelt dat de kans vrij groot is dat de lezer, eenmaal geïntroduceerd met de koppeling van deze termen aan het woord “wetenschap” diens betoog verder met een korreltje zout zal nemen. Nog voor hij ter zake komt beklemtoont hij dat wat verder volgt beslist geen bedriegerij of bijgeloof is – men moet zich beslist niet laten leiden, of afleiden, door de slechte naam die de zigeuners, “een volk welks oorsprong men zelfs niet eens kent”, het waarzeggen, het handlezen, hebben gegeven, het zijn immers niet de artsen die schuldig zijn aan kwakzalverij. Meer dan de pogingen van de schrijver te bepleiten wat anno 2019 volstrekt ongeloofwaardig klinkt (of zou moeten klinken, je zou ze de kost niet moeten geven, de hedendaagse schedelmeters) is het de leeftijd van het boekje dat nieuwsgierig maakt. Onderaan de titelpagina vallen mijn ogen op een jaartal: 1828.

1828. Dat is 1 jaar na de dood van Beethoven, 7 jaar na de dood van Napoleon, 37 jaar voor de moord op Abraham Lincoln en precies 100 jaar voordat mijn vader wordt geboren. Dit boekje is een ingebonden tijdreis.

Het blijkt dat de “wetenschap” om aan uiterlijkheden te onttrekken wat in het binnenste der mensen huist – met de daaraan gekoppelde voorbestemming – ook in 1828 niet onomstreden was. Dit boekje is een poging centraal te stellen wat toen al was weggedrukt naar de rand van de menselijke kenniswereld. De gedachten aan een besmet verleden (en de gedachte dat dat verleden allesbehalve resistent is voor een mogelijke herleving) houden de glimlach op mijn gezicht niet tegen als ik lees over de “diepliggende ogen” die men meestal bij bedriegers en schurken, “bij alle slechte menschen,” aantreft. De schrijver dacht, 138 jaar voor mijn geboorte, ook aan mij.

Voorzichtig doe ik het in een afsluitbaar plastic zakje, maatregel tegen verzuring en papiervraat. Een poëtische bestemming voor een gedachtegoed, hier gepresenteerd als zelfverklaarde wetenschap, dat niet al teveel buitenlucht verdraagt.