Vaderdag, de droom daarna

Het hotel stond vlakbij zee. Ik at er, samen met mijn vader, een gekookt eitje voor ontbijt. Wij, vader en zoon, geen meesters van de kleinpraat, spraken over hard- en zachtgekookte eieren omdat niks zeggen ook zo zonde van de gelegenheid was. Ik had mijzelf even tevoren op een lucide moment betrapt. Ik wist dat ik droomde en wist dat de droom een plek was waar je mensen kunt tegenkomen die je alleen in de binnenwereld van je gedachten kunt tegenkomen. Ik verbaasde me over het gebrek aan verbazing daarover. De afstand overbruggen tot waar je iemand in de tijd achter hebt moeten laten was hier de gewoonste zaak van de wereld. Alsof de deur naar de vierde dimensie, de tijd, hier altijd openstond. We praatten nog even verder. Over het weer. We keken naar buiten, naar de zee waar zich donkere wolken aan de horizon verzamelden.

“Wat vind je eigenlijk van de zee?” vroeg ik
“Laat de zee maar de zee, ik blijf liever aan land.”

Mijn vader klonk een beetje als Godfried Bomans toen hij dat zei. Hij draaide zich om en maakte aanstalte te gaan.

“Tot de volgende keer,” zei hij
“Tot de volgende keer,” zei ik

Toen begon het te regenen want het weer, in een droom of niet, kijkt niet op een cliché meer of minder.

Hotel by the Sea, 1946 (John Craxton 1922-2009)

Slasher chimère (the day after)

Nadat ik de vorige nacht de schrik van een droom waarin een ijsbeer mijn hoofd afbeet had gecombineerd met de opluchting van het wakker worden in een bed zonder enge beesten, werd mijn vriendin vanochtend wakker naast een zeeleeuw die in een punaise was gaan zitten. Dat geluid maakte ik althans, volgens haar. Ik kan het me niet herinneren. Misschien droomde ik in een droom die ik me niet meer herinner dat ik een Brachiosaurus was die op een blokje Lego trapte. Veranderen in een dinosaurus is een bekend neveneffect van vaccinaties en het is nu bijna drie weken na mijn eerste prik. Ik moest denken aan wat de ijsbeer van verleden nacht me, in zijn aanvankelijk gemoedelijke bui, toevertrouwde. Vanachter een boek had hij mij, leesbril op het puntje van zijn neus, licht geamuseerd aangekeken. “Wat doorsijpelt in de nacht wil men bij daglicht vaak niet onder ogen zien,” had hij gezegd. En ik had hem bij die zelfvoldane opmerking ‘beeindruckt’ in de ogen gestaard. Dieren in dromen zijn als superhelden die daden paren aan erudiete woorden. Omdat een ijsbeer die een haring eet ook maar gewoon een ijsbeer is. Omdat een klap met een hamer van de dondergod ook maar gewoon een klap met een hamer is als die niet gaat gepaard met een mooie volzin die Mjonir-waardig de verbeelding prikkelt. De lezer, en dat wordt bij stripboeken nogal eens over het hoofd gezien, hecht aan literaire verheffing. Pak de verhalen die Roy Thomas voor The Mighty Thor schreef er maar eens op na. Emfatische teksten waar de tekeningen vaak maar plichtmatig bij afsteken.

“In volbloederige zinnenpracht iedere keer maar weer verhalen wat iedere keer eigenlijk op hetzelfde neerkomt,” daar had de beer zijn betoog vervolgd. Het was een beetje alsof hij mijn gedachten kon lezen. Iets wat ook wel eens gebeurd als je een boek leest en het is alsof een schrijver jouw gedachten voor jou heeft geformuleerd. “Goden en godmensen die in monumentale momenten van zelfverwezenlijking iedere keer weer boven zichzelf moeten uitrijzen om de wereld en de mortale mens van een zeker noodlot te redden kunnen dat niet zonder de kracht van de taal. Die taal moet meer dan een beetje inventief zijn wil ze epische daadkracht en heldendom niet overleveren aan de gaapverwekkende saaiheid van de herhaling. In een verhaal waarin je iets bij herhaling wilt vertellen mag de herhaling nooit alleen maar de herhaling zijn. Beethoven en Wagner wisten dat, konden dat. Een motief laat terugkomen, hetzelfde motief maar dan anders. John Coltrane ook. Luister naar de amerikaanse minimal music en hoor waar het misgaat. Een melodietje, een themaatje, en dat was het. Step-and-Repeat. Ga maar bier halen want hier is verder niets meer te horen. De verwachting naar de volgende noot volledig opgeofferd aan de vorm.”

De beer tufte een graat uit en nam een slokje soda dat je hier op de Noordpool niet in een koelkast hoeft te bewaren om het op temperatuur te houden. “Herhalen is een kunst op zich,” herhaalde het berenbeest nog maar eens. “En jezelf vrijwaren van de noodzaak jezelf niet te herhalen een privilege. Jezelf vrijwaren van veranderen kun je eigenlijk alleen maar doen als je Slayer, Motörhead of AC/DC bent. In dat verband is het wellicht aardig om Slayer eens met Metallica te vergelijken. Pak hun eerste platen er maar bij.” De beer ging rechtzitten, liet een boertje, en schoof een kussentje in zijn rug. “Als je moet kiezen tussen de eerste plaat van Slayer of ‘Kill ‘Em All’ van Metallica kies je natuurlijk voor ‘Show No Mercy’. Slayer all the way. Waar Metallica op ‘Kill ‘Em All’ nog klinkt als een beta-versie van Motörhead stopt Slayer in ‘Show No Mercy’ al alles wat Slayer tot Slayer maakt. Bovenmenselijke snelheden op gitaar en drums die samen met de schreeuw van Tom Arraya samensmelten tot transcendentale trash. Had Metallica na ‘Kill ‘Em All’ nog 10 keer dezelfde plaat gemaakt dan was dat leuk geweest voor die mensen die de band nu verwijten uitverkoop te hebben gehouden maar ook niet meer dan dat. Punt is dat Metallica na ‘Kill ‘Em All’ moest veranderen omdat ze nog niet waren waar ze moesten zijn. En kijk eens wat er dan gebeurt. Waar ‘Haunting The Chapel’ nog klinkt als een dundrukje van ‘Show No Mercy’ maakt Metallica op hun tweede plaat ‘Ride The Lightning’ de sprong naar hyperspace. Trash op superhumane snelheden met mooie akkoordenprogressies, melodie en Metal Mayhem in een Epic-as-Fuck kind of way. Probleem is wel, zoals de rest van hun discografie aantoont, dat je zo’n sprong maar 1 keer in je carrière kunt maken. Op het moment dat Metallica bij ‘Master of Puppets’ is aangekomen, wat misschien wel een beetje een overschatte plaat is, zijn ze weer ingehaald door het immer op gelijke voet doorhakkende Slayer dat met ‘Reign In Blood’ de top van de Trashmetal-Everest bereikt. Je zou kunnen zeggen dat Slayer 1 plaat nodig had om zichzelf uit te vinden waar Metallica er 2 voor nodig had. In tijden waarin alles efficiënt moet zijn is dat iets om over na te denken.”

Dat was het moment dat de beer zijn blik verlegde en mij met witgele tanden toegrijnsde. Noch op het gelul van de beer (respect lezer, als je het tot hier hebt volgehouden) als mijn aanwezigheid rustte enige zegen want op het moment daarna beet hij het hoofd van mijn lijf waarna mijn slokdarm zich stuiptrekkend door mijn openstaande nek een weg naar buiten baande. Dat was gisteren en ik herinner me het als de dag van vandaag. Maar vandaag is een andere dag. Een dag met een zeeleeuw en een Brachiosaurus. Dieren waarvan ik me niets herinner.

Einde.

Slasher chimère

Uit een concentraat van alle verwerkte en onverwerkte indrukken van die dag sijpelde de Noordpool door in mijn droom – laat in de nacht. De blauwe hemel, het ijsje in de schaduw en het biertje in de zon kregen met een gedroomdacht bezoekje aan de ijskap een verkoelende epiloog. Op de Noordpool werd ik verwelkomd door een ijsbeer. Een vriendelijke lobbes, die net een haring naar binnen werkte, en me wenkte als was ik een langverwachte vriend. Met de staart van de haring nog in zijn mondhoek schoof het hagelwitte beest gastvrij een stoeltje aan en zei op een toon die de declamatie van zachtzoemend lyrisch proza leek aan te kondigen dat de vrienden van zijn vrienden zijn vrienden waren en dat er voor mensen die zomaar op de klep kwamen vallen altijd plaats was aan zijn tafel. Die tafel was, op wat uitgespuugde visgraten na, helemaal leeg.
“Langverwachte vrienden,” zo sprak de beer, zijn stem ging in toonhoogte en tempo omlaag, “zijn als ongebakken kroketten. Voor een beer maakt het niet uit of je ze frituurt of niet. Die eet ze toch wel op.” Het geruststellende, aangename gevoel van een met poëzie begiftige beer die je als een vriend bloemrijk gaat voordragen uit eigen werk maakte plaats voor onbehagen. De vooruitzichten – witgele tanden grijnsden mij waterig aan en op de Noordpool lopen geen olifanten rond die met hun lange snuit verhaaltjes uitblazen – werden snel slechter. Een huig in een immens grote mond was het laatste wat ik zag. Voor de neiging van de mens in een dier een vriend te zien, terwijl het dier in de mens slechts voedsel ziet, betaalde ik een stevige prijs. In een stuiptrekking braakte ik mijn eigen hoofd uit.

Gelukkig eindigen dromen altijd in een bed waarin geen ijsberen liggen, maar ik keek, voor alle zekerheid, toch maar even onder mijn matras. Zojuist ontsnapt uit mijn eigen next-level-slasher-chimère ruilde ik het angstzweet van een kille droom in voor een brandend nieuwe dag.

Koken met Franz Ferdinand

“Als je het maar naar je lol hebt.” Ze griste de zak chips uit mijn handen en trok hem open.

“Jij krijgt zo vis met aardappelen,” zei ik.
“Chips gelden niet als aardappelen,” was het antwoord.
Dat was nieuws voor me, als ik vanochtend de krant had gelezen had het me misschien niet zo verbaasd.

“Als je het maar naar je lol hebt.” Dat zeiden we vroeger tegen elkaar. Maar niet heus, maar ik moest er om grinniken, van binnen, ik verspil mijn energie niet graag aan uitbundigheid, en dat was het belangrijkste. De vis ging samen met mijn vandaag opgaande ideeën over wat leuk was de oven in. Buiten was het weer beter dan gisteren. In de keuken was het warmer dan op straat. Ik tuurde de ovenklok na en dacht na over kleine gebeurtenissen met grote gevolgen.

In 1914 reed Franz Ferdinand een straat in waar de man die hem twee uur eerder had geprobeerd te vermoorden net een broodje aan het weghappen was. Die tweede kans liet die man, Gavrilo Princip, niet lopen. De dood van Franz Ferdinand was het excuus dat de Habsburgers nodig hadden om de Serviërs eens even een lesje te leren. De rest is, zoals dat heet, geschiedenis.

Toch is een wereldoorlog niet het eerste waar ik nu aan denk sinds ik deze foto uit 1895 zag waarop Franz Ferdinand poseert als mummie. Hij was de enige niet die zich toen zo liet vereeuwigen. Over trends die passend bij een bepaalde tijd en plaats in een andere tijd en plaats vreemd en opmerkelijk overkomen kun je leuk nadenken terwijl je wacht tot de vis in de oven gaar is.

“Als je het maar naar je lol hebt,” moet de edelman uit Oostenrijk-Hongarije hebben gedacht. Hij zou nog bijna 20 jaar leven voordat een chauffeur met een haperend oriëntatievermogen de auto waarin hij zat onder de neus van zijn moordenaar zou parkeren. De rest daarna is geschiedenis.

De vis die in oven op gaarheid wachtte is inmiddels ook geschiedenis. De afwas niet. “Als je het maar naar je lol hebt,” denk ik als ik de kaboutertjes het slagveld van potten, pannen, bestek en een ovenschaal wijs waar hun een noeste, nobele arbeid wacht.

Alien girlfriend

Bij de Lidl had ik een pak Decafé gehaald. Ik was aan het detoxen van de dagelijkse cafeïnekicks, mijn energie levels wat gelijkmatiger over de dag aan het uittrekken, en ging nu even proefondervindelijk vaststellen of die goedkope Lidl-leut wel nasbaar was. Maar nog voordat ik de moka met koffie had gevuld zei mijn vriendin: “Gebruik jij energie dan?”

Mijn vriendin kan mijn gedachten lezen, hoe ze dat doet weet ik niet maar soms is dat best wel eng. Dan denk ik dat ze een gebodysnatchte versie is van de vrouw die ik een paar jaar geleden in een Duits operahuis tegenkwam. Iets met buitenaardse intelligentie.

“Energie?” zei ik in antwoord op die gemindreade vraag: “Laat ik het zo zeggen. Vandaag is het zaterdag en vandaag wil ik lui zijn.”

“Ben jij weleens niet lui dan?”

2-0 voor de aliens.

“Vandaag is het weekend en vandaag wil ik een lege agenda. Niks doen. Als luiheid vandaag een olympische sport zou zijn, zou ik zorgen dat ik vierde werd zodat ik het podium niet hoefde te beklimmen.”

Dat was een leuke grap, weliswaar niet zelf verzonnen maar wel leuk. Ik moest er zelf in ieder geval hard om lachen.

“Schiet nou maar op met die koffie,” zei ze. “Je weet wat er gebeurt als je een Italiaan na 12 uur een cappuccino voor de neus zet.”

Ja, dan zijn de rapen (die uit Lombardije in dit geval) gaar. Dan daalt er een spaceship met Italiaanse voedselpolitie op je balkon neer om je mee te nemen naar een heropvoedingskamp achter de Apennijnen waar ze je wel even de barbarij afleren waarmee jij zojuist de balans in het universum op bijna onherstelbare wijze aan het wankelen hebt gebracht.

 

Poëzie op ijs

Het is altijd speciaal als de natuur ons, gewone stervelingen, zij die geen mensenzoon of verlosser zijn, de mogelijkheid gunt op water te lopen.
Alsof de mogelijkheid van over bevroren sloten naar de horizon in Anton Pieck-landschap te schaatsen nog niet in genoeg sprookjesachtige werkelijkheid voorzag, lag daar in de kelder van moeders een paar schaatsijzers uit de tijd van (ver) voor de oorlog op me te wachten. Alsof het zo was beschikt, ik kon niet anders dan de roep uit een ver verleden beantwoorden met een poging tot een ritje op oude, verroeste ijzers wier aanblik suggereerde dat ze de napoleontische veldtocht naar Rusland nog hadden meegegemaakt. De poging bleek heldhaftig maar kort. Reeds bij het aanbinden van de eerste ijzer begaf de leren beugel het.

Het sip over een gemiste kans een schaatstocht in wonderwinterlandschap van historisch cachet te voorzien was van korte duur. Uiteraard. Het was poëzie op ijs dit weekend.

Na de lockdown (op 13 augustus)

Het viel hem nu pas op  dat de vogels niet of nauwelijks vlogen, de ergste warmte leek voorbij maar de temperaturen waren nog steeds van dien aard dat, ook voor vogels met een coronabuikje, een al te uitbundig bewegen van het lichaam niet tot aanbeveling strekte. Daar zweefde er toch een voorbij, een ooievaar. Die gaf vrucht aan verhalen en aan het einde van de middag leegde hij zijn hoofd bij de vrouw die haar oor daar, zo te zien vrijwillig, voor te luister legde. De ietwat in zichzelf gekeerde geest die zo graag de vruchten van zijn inertie tot briljanten en smaragden wenste te denken wist het: 13 augustus was een dag waarop het dankbaar associeren is.

Op die dag in 1961 begon men in Berlijn met het metselen van een muurtje; gewapend beton en prikkeldraad incluis. Dass Man Nicht Darüber Klettern Konnte. Dat was exact 440 jaar nadat er – met de verovering van de stad Tenochtitlán (het huidige Mexico City) door de Spanjaarden onder aanvoering van Hernán Cortés – een einde aan het Aztekenrijk was gekomen. Wat dat precies betekende wist hij nog niet (hij was nog steeds aan het rekenen:  1961 min 440 gedeeld door de prijs van een meter prikkeldraad etc.) maar vast wel iets. Op 13 augustus, in het jaar 1876 deze keer, de dag houdt niet op te geven, hij hoefde zelf helemaal niets te verzinnen, waren de muurtjes van het Festspielhaus in Bayreuth af genoeg om er het eerste Wagner-festival te kunnen houden. Een festival rondom het werk van 1 componist (Richard Wagner) wiens muziek zou inspireren tot menig soundtrack van menig film van Alfred Hitchcock (op 13 augustus in 1899 geboren). Van de soundtracks die Bernard Hermann (kreeg op 13 augustus 1915 zijn eerste kinderfietsje) voor Hitchcock maakte is die van Psycho het meest herkenbaar. Hermann schreef die soundtrack enkel voor strijkers om kosten te besparen want Hitch zei aanvankelijk dat er geen budget voor muziek was. Er hoeft sinds die film maar iemand in zijn remmen te knijpen, een kat op zijn staart te trappen of met zijn nagels over een schoolbord te gaan of er duiken oude dametjes met een mes in de douche op. De soundtrack van Vertigo daarentegen is het beste (een film voor de oren, doet het ook goed in audio-only) en Hermann componeerde voor de Scene d’Amour tussen James Stewart en Kim Novak (jarig op 13 februari, de sterfdag van Wagner) een mooi stukje muziek, klanken van versmelting, tevens hommage aan de opera Tristan und Isolde.

Hij had het haar rustig verteld in  woorden die waren als een optocht in engelentred, maar hij kon, zijn omzichtigheid ten spijt, niet voorkomen dat de blik die hem nu ten deel viel er een was van een openstaande mond met plaats voor een bakfiets met aquarium. De intense kleinpraat leek haar niet goed te zijn bekomen.  “Wat wilde jij vroeger eigenlijk worden?” vroeg ze na een tijdje. “Ezelbruggenbouwer,” zei hij maar dat was geen goed antwoord. Die respons was als het onbestemde geschuifel onder gedachten die niet helemaal los van de conclusie kwamen dat de voorbije periode van afzondering en de warmte van de afgelopen dagen hem wellicht een beetje naar het hoofd waren gestegen. Het wachten was op plasjes water die zijn zweet niet waren.

 

IJskoud ijs

Het lag natuurlijk aan de warmte, alsof ik een klap van de ventilator had gekregen. Terwijl de hitte met bakken naar beneden kwam, broeierig basalt neersloeg op tere lijven, en op het balkon de warmte tot taartpunten kon  worden gesneden,  liep ik in de woonkamer tegen de kast aan. Mijn grote teen floot er een vrolijk liedje bij. De strand van zaken in deze, inmiddels jaarlijks terugkerende, oefening voor de Grote Opwarming was niet best. Ik moest nog dingen doen, werken, en in het vaarwater van frivool uitgedaagde zweetklieren trachtte ik de driftig doortrappende hamster op de tredmolen in mijn hoofd tot rust te manen. De wereld was duidelijk te klein voor de both of us: de hamster die niet van ophouden wist en ik die daar, met temperaturen van ver boven het vriespunt, niets van wilde weten. Verkoeling, een zak ijs, een wapenstilstand. Kon ik voor dit Ticket To The Tropics geen voucher krijgen? Opgewonden als Ahab die aan de horizon het straaltje van de witte walvis zag, zette ik koers naar de kraan in de keuken, onderweg die teen tegen die kast aan carambolerend, om handen en polsen nat te maken en een slokje water te nemen. (Vreemd dat je daarna, met het zweet nat op je lijf, meteen naar de wc moet.) De strijd was nog niet gestreden, het werk nog niet gedaan. Het naar verkoeling zoekende lichaam pakte een koptelefoon voor een in decibellen verpakt ijsje.

 

Ten noorden van het IJ

We zouden nu in Duitsland zitten, Schweinshaxe eten en naar lange opera’s luisteren, maar een vleermuis in Wuhan beschikte anders. In plaats daarvan vakantie in eigen land, in eigen stad met daarin, voor de tweede keer binnen een week, de aanwezigheid van levende muziek. Handen wassen bij binnenkomst en op een bankje in de Tolhuistuin op veilige afstand luisteren naar een soort voortkabbelde Americana. De gelegenheid, het feit dat het er is, wordt meer gewaardeerd dan de muziek zelf – blues met een condoom. Wat later, op een terras ten noorden van het IJ, daar waar aerosols vrij en blij vervliegen, drink ik bier uit Bergen op Zoom, van brouwerij De Schelde.

– Daar kom ik ook vandaan, zegt de ober.
– Da’s toevallig
– Wij komen er weleens met carnaval, zegt het stel naast ons.

– Vastenavond, verbetert de ober vriendelijk doch beslist, want carnaval zeggen we daar niet.

De wereld blijkt, ook na de lockdown, een kleine.

Aan het visrestaurant aan het IJ, waar vissen zwemmen in lege magen alsof zij boete doen voor wat Jonas indertijd in de walvis overkwam, ruist de wind door niet-gekapte haren, prikkelen zonnestralen onder rand van pet en t-shirt, en varen boten voorbij met neergehaalde zeilen. “Heb ik jou al ingesmeerd?”

Tijdens het dessert applaudisseert zij, de extravert, als er een boot voorbijkomt die Tiramisu heet. “En dat op de dag dat in 1882 Parsifal in Bayreuth in premiere ging,” mompel ik, de introvert.

– Ik vind dit net een party, zegt zij
– Een partyfal, zeg ik

Ze begraaft het hoofd in haar handen om het er een ogenblik later met brede glimlach weer uit te halen. Ze kent me nu een beetje. Later op de weg naar huis zingt zij, de extrovert, een liedje waarin ze de voornaam van mij, de introvert, verhaspelt tot de naam van een plaats hier niet ver vandaan. Ik glimlach er minzaam bij want ik ken haar nu een beetje.

Art: Dawid Planeta

Tandarts

Mijn tandarts kon niet blijer klinken. Hij deelde bij monde van zijn secretaresse enthousiast mee dat zijn stoel weer geheel voor patiëntenpubliek beschikbaar is.
– We mogen weer beginnen! Schikt het morgen?
– Nou uh, volgende maand is tijd genoeg hoor.

Niet dat ik de spoilsport wil uithangen op een feestje waar net de reanimatie van een bedrijfstak wordt gevierd maar ik had mij bij het First Contact aan de uitgang van deze intelligente lockdown wel iets anders voorgesteld dan koud tandartsgereedschap op klamme kiezen. Mijn geest, die zich de afgelopen tijd meer dan met het verwezenlijken van iets tastbaars vooral heeft bekwaamd in het waterpas houden van gedachten, wil het rustige vaarwater van de bewegingsrestrictie best inwisselen voor de woeliger baren van wat nog niet zo heel lang geleden normaal was – de blik naar buiten komt ook voor mij, de introvert, met het zoet van een belofte – maar ‘normaal’ moet niet al te normaal zijn. Geen theater maar wel de tandarts. Het voelt als een nederlaag. Ik blijf nog even binnen.
“De Tandenworm als Helse Demon”. 18e eeuws snijwerk uit Frankrijk.